Ik was een week onderweg, maar het leek wel een maand.
“Interpol,” had Alain gezegd, hij keek bewolkt.
“Ja, Interpol heeft een kantoor in Parijs waar ze de hele dag bezig zijn met het opsporen van weggelopen jongens zoals jij,” zei Dave vrolijk. Plotseling begreep ik waarom Alain mij niet meer op de boot wilde.
We waren nog één keer de terrassen langs gegaan in Saint-Tropez. De volgende dag moest ik vertrekken. Dave zong dat ontzettend truttige nummer ‘Yesterday’ dat die zomer overal werd gedraaid. Ik kon enkel aan morgen denken. Veel liever was ik nog een tijdje met dit fijne zootje ongeregeld op de boot gebleven. Het voelde als een klomp steen in mijn maag, precies zoals ze aanspoelen langs de oever van de Oude Maas, glibberig en zwaar.
Ik ben net uit een olieachtige vrachtwagen gestapt. Het stinkende geval maakte een herrie als een Boeing 727 met motorproblemen. Om mijn stembanden te smeren koop ik een gezinsfles cola. Eerlijk gekocht van mijn in Saint-Tropez verdiende troubadoursfranken. Het is een zonnige najaarsdag aan de Middellandse Zee. Een felle wind jaagt vanuit de stad naar het water. Ik ben de enige op de boulevard.
Ik zie een bui meestal al lang van tevoren hangen, ook als iedereen om me heen zich in begint te smeren met factor 50. Daarom ben ik niet verrast dat er vanuit het niets een blauw politiebusje me tegemoet komt rijden. Zodra de bestuurder mij in het vizier krijgt laat hij het busje piepend remmen. Ik loop erlangs met de blik van een toevallige passant, alsof mijn aanwezigheid geen bijzondere belangstelling verdient. Dat kost me weinig moeite, want ik ben erg goed in doen alsof ik geen deel uitmaak van mijn omgeving, een beetje zoals een kat die na een driedaagse veldtocht thuiskomt en zijn enthousiaste baasje links laat liggen.
Ik gooi achter mijn rug de Gauloise weg, roken maakt me meteen verdacht. De steen in mijn maag wordt steeds zwaarder. Het dringt ineens tot me door dat ik iets illegaals aan het doen ben en dat mijn naam weleens op een lijst van gezochte personen kan voorkomen. Misschien ben ik minder onzichtbaar dan ik denk. Dat had Alain natuurlijk ook bedacht toen hij zei dat het beter was dat ik weer moest opstappen, niemand wil gedoe met politie.
De agent in de bus roept iets. Ja, hij roept me naar binnen, dat begrijp ik, maar ik vind dat je het mensen niet te makkelijk moet maken. De agent maakt aanstalten om uit te stappen. Achter in het busje zitten twee agenten uit een Kuifje-album. Ze kijken me boven hun snorretjes wantrouwend aan, dat zit in hun opleiding denk ik.
‘Passeport, s’il vous plait,’ zegt de agent.
Zijn blik schiet heen en weer van mijn paspoort naar mijn gezicht. Hij perst een achterdochtig gezicht uit zijn hoofd en vraagt of ik echt zestien jaar ben. Ik zeg “oui”, om het toneelstukje mee te spelen. Je weet immers nooit van tevoren of deze agent zit te wachten op iets wat er niet staat.
Op dat moment plopt het plastic dopje dat op de colafles zit gedrukt door het warm geworden koolzuur tegen het plafond van het busje. De agenten lijken te denken dat ik hen in de maling probeer te nemen. Om de aandacht af te leiden vertel ik ontspannen in mijn beste schoolfrans dat ik op vakantie ben, met mijn ouders die daar ergens logeren. Ik wuif vaag naar de bergen. Hoe wuif je achteloos naar buiten als je van binnen stijf van de spanning staat? Met een gewichtig gezicht pakt de agent een beduimeld bundeltje papier. “liste des personnes recherchées”, lees ik. Hij raadpleegt voor de zoveelste keer mijn paspoort en vergelijkt mijn gegevens met de namen in zijn gekrulde papieren. Ik zie zijn vingers langs de namen gaan. Ik kijk over zijn schouder naar de zee en zie dat de tamelijk hoge golven een heel ander ritme hebben dan die bij ons aan de Noordzee. “Ga toch eens naar buiten,” hoor ik mijn moeder zeggen, “je zit de hele dag maar binnen.”
De agent wil maar niet begrijpen dat mijn achternaam met een Z begint, want hij begint steeds opnieuw zijn lijst na te kijken. Ik begin te hopen dat die nog niet is bijgewerkt, zo lang ben ik immers nog niet weg uit Nederland. Ik probeer hem niet op de vingers te kijken en laat mijn blik naar buiten dwalen alsof ik op de metro staat te wachten. De agent laat het er niet bij zitten. Hij vraagt of ik wel geld bij me heb. Ik pak de laatste francstukken uit mijn zak en deponeer ze achteloos op een hoopje op de tafel. Alsof er in mijn andere zak nog meer geld zit. Dan wordt het colahoedje met een luide plop voor de tweede keer gelanceerd.
‘Ohlala,’ doet de agent. Hij lijkt de minst bureaucratische van het drietal. Hij neemt de anderen mee in een besmuikte grijns.
‘Allez, descendez-vous, au revoir.’
Bij het opstaan stoot ik mijn hoofd. Ik heb zin om de Middellandse Zee in te duiken. Zo’n Nieuwjaarsduik van mensen die opgelucht zijn dat ze een jaar overleefd hebben. Of blij zijn omdat ze vooruit kunnen kijken. Maar dan zou ik de enige zijn op deze winderige dag.
Ik ga lege boulevards vermijden.