De kerkouderlingen van de gereformeerd kerk waren bij ons op huisbezoek geweest. Met hun dikke koppen en zware stemmen rookten ze alle sigaren op uit mijn vaders voorraad, pas toen vertrokken ze. We moesten vaker naar de kerk gaan, galmde het na. Mijn moeder delegeerde die opdracht naar mijn vader, maar die ging toch al, zij het naar de Waalse kerk in Dordrecht, omdat de preken daar in het Frans waren.
Toen de kruitdampen waren opgetrokken, werden de contouren van hun adviezen zichtbaar. Mijn moeder vond dat ik als achtjarige aan mijn sociale vaardigheden moest werken. Die had ik niet nodig, vond ik. Ik was liever alleen aan de oever van de Oude Maas, kijkend naar diepliggende vrachtschepen, in de hoop dat er eens een zou zinken.
Ze schreef me in bij een knapenclub voor jongens van acht tot tien, een geestvormende knutselavond van de kerk. Omdat pleegvader Jozef zijn zoon Jezus de timmermansbeginselen had bijgebracht, werd er ook hier driftig gezaagd en getimmerd. Om het aantrekkelijk te maken kregen we namaak ridderoutfits. Ik vond het kinderachtig.
De wekelijkse avonden in het scheefgezakte schoolgebouw uit 1911 waren beproevingen. Bij opening en sluiting riepen we in koor: “trouw aan de koning,” met de vuist omhoog. Ik dacht aan een televisie-uitzending over “De Bezetting” waarin een bevlogen Duitse politicus dezelfde pose aannam.
Onze groepsleider was een lange, magere man met een verontrustend gekarteld smoelwerk waaruit zijn neus tevoorschijn kwam als een haakvormige uitstulping. De kraalachtige ogen lagen wreed en diep in holle oogkassen. Het leek alsof hij uit een Jeroen Bosch schilderij was gesneden en in een slecht zittend jarenvijftig pak was gehesen. Zijn slechte adem bestreed hij met PK-kauwgum. Buiten zijn reukveld noemde ik hem PK.
Mijn figuurzaagjes braken om de haverklap, zodat ik zelden aan echt zagen toekwam. PK gaf me de opdracht een kapstokje voor Moederdag te maken, in de vorm van twee konijnen en een dennenboom.
Het maakte niet uit hoe ik zaagde, de zaagjes bleven breken. Nog voor de afsluitende “trouw aan de koning” was de club door de zaagjes heen. Toen ik PK wilde uitleggen dat je op een scheve vloer van een school uit 1911 niet recht kunt zagen, begon hij me uit te foeteren. Hij zette me op de gang. Ik verzette me en barstte in huilen uit. Vanaf dat moment blonk ik uit in totale geestelijke afwezigheid.
“Die konijnen moeten zichzelf maar zagen, mam,” zei ik thuis.
Ik dacht ervan af te zijn. Maar op de avond voor Moederdag verscheen een jongen uit de buurt die elke knutselavond aanwezig was geweest. Hij had mijn kapstok afgemaakt, de NSB’er. De verf was nog een beetje nat. Moeder deed alsof ze blij was.