De vragenontwijker
“Ik heb een afspraak voor je gemaakt bij het arbeidsbureau,” zegt mijn moeder. “Als je niet terug wil naar de MULO, dan moet je een baan gaan zoeken.” Ik sta op en zucht. Mijn bloed stolt bij de gedachte aan het woord arbeidsbureau, ijzige gruwelpaleizen met mannen in slobberpakken aan bruine bureaus.
“Schil eerst even de aardappelen, daar ben je goed in.”
Ik blijf besluiteloos in de keuken staan. Mijn toekomstplannen zijn nog vager dan de antwoorden die ik geef als mijn ouders erover beginnen. Ik goochel meestal een of andere opleiding uit mijn doos, waaruit iemand met een groot voorstellingsvermogen een beroep kan distilleren.
“Als je naar de grafische school wil, dan moet je je eerst inschrijven.”
Ik blijf liever in mijn vacuüm zitten waaruit ik niet bevrijd wil worden. Nog niet zo lang geleden moest ik, nadat ik de kinderbescherming en een tweetal gezinsvoogden tot wanhoop had gedreven, op last van mijn moeder bij de dominee op gesprek komen. Zijn vrouw deed open, ze was aantrekkelijk. Ze ging me voor naar zijn studeerkamer. De dominee keek met vroom gevouwen handen naar het achterwerk van zijn vrouw die zich vooroverboog om het dienblad met thee en de trommel met mariakaakjes neer te zetten. Om het ijs te breken hadden we het eerst over de dood. Daarna vertelde hij over de Israëlische kibboets waar je als minderjarige kon gaan werken, dat zou echt iets voor mij zijn, fijn met al die jonge mensen.
“De zesdaagse oorlog is voorbij,” had hij geruststellend gezegd. “En omdat je zestien bent, ga je daar bij een gezin wonen.”
Ik zei dat ik erover na zou denken. Het klonk als vrijheid, maar dat gezin beviel me helemaal niks, en dat zogenaamde werken al helemaal niet. Het was me allemaal veel te vrolijk en te duidelijk. Geploeter op droge akkers met veel gezang, dat zag ik voor me. Ik vond het jammer voor hem, want hij was vriendelijk. Hij nam me tenminste serieus in dit godvergeten dorp. Ik wist niet dat dominees mooie vrouwen konden hebben.
Ik staar uit het keukenraam naar onze seringenboom die in bloei staat. Zoals ieder jaar zie ik dat stuk chagrijn van hiernaast in zijn tuin rondscharrelen, klaar om de overhangende takken af te zagen.
“Heb je de aardappelen nou nog niet geschild?” vraagt mijn moeder.