Naar de hondenbroodfabriek

Ik sta voor het arbeidsbureau en blijf talmen. De ingang is naast die van het kleine politiebureau dat ik van binnen ken. Een holle ruimte met houten kasten en schuifdeuren waarachter ik als kind zou worden opgesloten als ik nóg een keer een appel van de groentekar zou stelen. Nu neem ik de ingang van het arbeidsbureau en loop naar een man die haarroos verzamelt. Op de achtergrond ruisen een paar nylonkousen. Ze komen koffie brengen, alleen voor hem natuurlijk. Hij vraagt of ik die Van Zijderveld ben die vorig jaar van huis was weggelopen. De nylonkousen blijven talmen om mijn antwoord af te wachten. Ik zeg maar ‘ja’ tegen ambtenaar Dorknoper en zijn luistervinkende koffiehulp, want er woont maar één persoon in Zwijndrecht met mijn naam en bovendien had mijn foto in alle kranten gestaan. Ik kijk over de schouder van Dorknoper naar de hangmappen met adressen van doolhoven waarin je kon verdwijnen. Kantoren en fabrieken, ik verwacht er niets van, mijn verbeelding schiet te kort. Ja, ik ken de inmaakfabriek voor tafelzuren bij ons in de buurt waar het altijd naar azijn stonk, waarvan de dikke directeur met een sigaar in een Amerikaanse slee deinend rondreed en waar elk jaar ’s zomers aardbeien werden ingelegd door ordinaire meiden met schelle stemmen, ordinaire praatjes verkopend terwijl ze hun in kaplaarzen gestoken benen met rood aangelopen blote knieën aan de chauffeurs lieten zien en soms een dijbeen. Dorknoper geeft me een papiertje met het adres van een hondenbroodfabriek in Dordrecht en noemt het belachelijk lage bedrag dat ik ga verdienen. Ik reken uit dat hij best fout kon zijn geweest in de oorlog.

Het strafkamp blijkt een oud gebouw te zijn aan de haven in Dordrecht. Ik loop er altijd langs als ik naar het ‘Beatcentrum’ ga, meestal wordt er alleen muziek gedraaid, maar het is de enige plek waar bands optreden en meisjes komen die filtersigaretten roken. Dan doe ik m’n houterige dansje en probeer ik oogcontact te maken met zo’n meisje. Hoe, dat vertellen ze je nooit.
In volstrekte eenzaamheid sta ik op een kale zolder karren vol met hondenbroodbrokken in een diepe trechter te gooien. De man die ik vervang is meteen in de benen geklommen om zich thuis te gaan verhangen. Ik denk dat er aan het eind van de trechter, ergens een verdieping lager, een verpakkingsproces plaatsvindt, maar voor hetzelfde geld komen al die brokken weer opnieuw bij mij terecht. Mijn transistorradiootje braakt Nederlandstalige meezingers uit, het programma heet Arbeidsvitaminen. Als ze nog één zo’n nummer draaien, spring ik in die trechter, voor eeuwig draaikolkend op accordeonmuziek.

De muren op de hondenbroodzolder zijn allemaal blind, op een schietopening na. Door de opening zie ik het silhouet van de Dordtse Dom. En dan, aan het eind van het radioprogramma, draaien ze ‘For Your Love’ van The Yardbirds. Er vliegen zwarte kraaien om de Dom.

Na een week geestelijk doodtij blijk ik een chef te hebben. Hij neemt me apart in zijn kantoortje. Het ruikt er naar hondenbrood en sigaren, achter hem hangt een gekrulde poster van een waterval. Hij zegt dat ik ongeschikt ben voor het werk. Hij laat het woord ‘overgekwalificeerd’ vallen.

Opgewekt verlaat ik zijn kantoor.

Scroll naar boven