Het lederen brommersechtpaar

Hét beeld van de jaren vijftig is voor mij een ogenschijnlijk onbeduidend verkeersongeluk. Ik was acht jaar denk ik, toen ik een echtpaar van onbestemde leeftijd zag naderen op een pruttelende Sparta brommer, gehuld in een walm van olie en benzine.  Beiden waren in onhandig dikke, lange leren jassen gekleed met bovenop, als een toefje slagroom, witte pothelmen. Het gezicht van de man was getekend door onregelmatige ploegendiensten in de metaalsector, dat van de vrouw was bleek en pafferig door een straf dieet van varkenskarbonades. Het kruispunt was zanderig en daarom wist ik wat er ging gebeuren. Ik wist als kind vaak wat er ging gebeuren, later kreeg ik die signalen minder helder door, alsof er geen ruimte meer was voor mijn intuïtie.

Het echtpaar ging onderuit in slow motion, begeleid door een hevig gekraak van hun leren kleding.  Het was niet gewoon ómvallen, maar meer een statig ineenzijgen. Het echtpaar onderging hun neergang gelaten, met effen gezichten, niet eens geschrokken, alsof hen van kindsbeen af was ingehamerd dat hun leven niet veel beter zou worden dan dit, en dat tegenslag tot de dagelijkse routine behoorde. De schuiver over de klinkers hoorde bij hun klasse. Het spannendste wat hen ooit zou overkomen was een dagje Schiphol. De mensen er omheen herkenden dit, ze hadden zelf immers ook dagelijks met tegenvallers te maken, men keek toe zonder enige vorm van sensatiezucht of mededogen maar met een dof gevoel van berusting.

Het echtpaar stond op, de man richtte de brommer op van de korrelige klinkerweg. Hij deed een paar pogingen het kreng aan de praat te krijgen maar voerde hem toen mee als een onwillige muilezel. Krakend in hun leren verpakking sjokten ze de straat uit op weg naar de volgende teleurstelling.

Scroll naar boven