De zeevaartschool

Klokslag 07.30 uur stond in de brief. De gang in de Hogere Zeevaartschool is van beton met hier en daar een zakelijke deur. Een schilderijtje van een schoener hangt met tegenzin aan een spijker. Ik klop op de deur van de adjunct, drie keer, zeeschepen toeteren immers ook drie keer heb ik ergens gelezen. Ik hoor iemand een bureaula dichtklappen, een fles rolt om.

De man draagt een zwaar hoofd, getooid met een stormvast kapsel dat in model blijft bij windkracht zeven. De bruine kajuitkamer is versierd met een ongepoetste koperen scheepsbel en op het bureau staat een messing misthoorn. Ik probeer me te concentreren op het gesprek en niet uitgebreid te gaan kijken hoe dik de speeksellaag is die zich ongetwijfeld aan de binnenkant van de toeter heeft vastgezet.

‘Zo jongeman, Guido van Zijtveld toch? Nee, blijf maar staan, we zijn zo klaar. Ik lees hier dat je maar drie jaar op een MULO hebt gezeten, een christelijke school en dan tóch voortijdig overboord? Bij Poseidon’s begroeide ballen, echt iets voor een landrot!’

Het zware hoofd wordt ineens rood, misschien heeft hij hoge bloeddruk, of is hij té betrokken bij het onderwerp.

‘Tja, meneer, ik vond de stof niet echt een uitda…’

‘Er staat in het schoolrapport dat je voornamelijk uit het raam hebt zitten kijken.’

‘Nou, in Zwijndrecht gebeurt niet veel, dan kan je maar beter uit het raam kijken en wachten tot er iets gebeurt dat…’

‘In het rapport van onze keuringsarts staat dat je vroeger acuut reuma hebt gehad. Water en reuma, dat is geen ideale combinatie, van Zijpervelt, ik zie dat je al averij hebt opgelopen voordat je één poot aan boord hebt gezet.’

‘Nou meneer, ik heb tamelijk veel ervaring opgedaan als zeeverkenner in de Biesbosch.’

Het zware hoofd plooit zich in een verachtelijke grijns.

‘Er staat hier dat die logge vlet van je om de haverklap vastliep op een zandplaat. Omdat je steeds vergat het zwaard op te trekken.’

‘Nou ziet u, het wordt altijd snel eb in de Biesbosch.’

‘Dat is niks vergeleken met de kust van Bretagne.’

Hij wappert met het rapport. Een golf alcoholische dampen slaan in mijn gezicht.

‘Wat is dit voor een mooie toeter?’

‘Ik versta je niet, van Zeverveld. En zet die misthoorn terug.
Er staat hier dat je tijdens een zeilkamp zo diep het riet in was gezeild, dat de schipper urenlang moest zoeken om je er met zijn motorboot weer uit te trekken.’

‘Nou, dat is maar drie keer gebeurd en de weersomstandigheden…’

‘Ik denk dat we wel klaar zijn, van Zijpvelt.’

Zijn hand trekt de bureaula open, de fles rolt met een klap de andere kant op. ‘Je hoort van ons, per flessenpost.’  Echt vakwerk die grap, het komt goed met die toelating.

Tevreden loop ik met opgeheven het hoofd de deur uit. Daarom zie ik de reddingsboei niet die op de grond ligt. Als ik uitgestruikeld ben zie ik het voor me, over een jaartje of wat zal ik een kapiteinspet dragen, op de brug van een schip van de Holland-Amerika Lijn, aan elke arm een vrouw met een petticoat.

Scroll naar boven