De laatste rij
‘Mogen wij bellen als het zover is?’
‘Alleen als het er echt om spant.’
‘Maar wilt u dan geen afscheid nemen van uw dierbare?’
‘Ach, het leven sijpelt al vroeg weg, als wit strandzand tussen kindervingertjes. Ons bestaan is één grote aanloop voor die laatste sprong in het duister.’
De bel gaat. Het is zover. Er is geen weg terug.
De foyer loopt leeg, de koffiekopjes rinkelen en alle mobieltjes zwijgen. Het zaallicht dooft in het uitverkochte theater. Nog één laatste zwaai naar
mijn geliefde — ze zit in een andere rij.