Kermis
Eind vijftigerjaren stonden bij het winkelcentrum ‘De Passage’ nooit meer dan een paar auto’s tegelijk geparkeerd. Als er op die parkeerplaats een kermis werd gehouden, werd dit niet als een natuurramp ervaren. Althans, voor de anderen. Ik werd er door mijn moeder heen gestuurd om mijn sociale vaardigheden te ontwikkelen. Op mijn Fongers Heerenrijwiel, die eigenlijk te groot was voor mijn negenjarige lijf, reed ik met een omweg naar het kabaal. Ik ging liever naar de oever van de stille rivier.
Een lawaaiige lawine werd over je uitgestort zodra je het terrein betrad, een misselijkmakende brij van kreten uit luidsprekers, Elvis Presley en loeiende sirenes. Het was een heel gedoe de attracties te bekijken en tegelijkertijd de jongens te vermijden uit de sociaal zwakke milieus, zeg maar gewoon dat tuig uit Het Slagveld achter de Rotterdamseweg. Ze hadden het vaak op mij gemunt, vanwege de Wet van Zwijndrecht. Die luidt dat Zwijndrecht een enclave is waar het absoluut verboden is enig verstand te hebben. Mocht je je daar dan toch last van hebben, dan was het beter daar geen blijk van te geven want anders werd je in elkaar geslagen. Je zag het schorem uit het Slagveld samenscholen voor de schiettent, waar de lopen van de buksen zo waren afgesteld dat niemand ooit iets raakte. Ik keek van een afstand toe of er toch niet een keer een gewonde nozem per brancard werd afgevoerd.
Wegens gebrek aan belangstelling stond het reuzenrad meestal stil. Op het plankier stond een grote zigeuner een langslopende vader en zijn zoontje aan te moedigen in te stappen. Toen ze net iets te lang aarzelden, werden ze met geweld in het zitje gepropt. Ondertussen vergaapten langslopende nozems zich aan zijn zigeunerdochter, die met een spectaculair hoog kapsel tegen de kassa leunde en een filtersigaretje uit haar mondhoek liet hangen. De nozems riepen dat het bovenste zitje niet eens boven haar kapsel uitkwam. De zigeuner bracht het rad weer tot stilstand en verjoeg ze. De vader en zijn zoontje zaten op het hoogste punt uitzichtloos te bungelen en keken tegen de blinde muur van de nabijgelegen Jamin.
‘s Middags zag je in de draaimolen soms een huilend kind zitten. Dat kon ik nooit geweest zijn, ik had al problemen genoeg. Er stond ook een armzalig spookhuis waarin je tergend langzaam door een dor landschap werd getrokken. Van binnenuit kon je door de scheuren in het tentdoek heen naar buiten kijken. In het wagentje voor mij kneep een tiener in het tietje van zijn vriendin, die het meteen op een proletarisch gillen begon te zetten. Ik overwoog onderweg uit te stappen om me lopend een weg naar buiten te banen tussen de aan- en uitfloepende lichtjes van de met lakens in elkaar geknutselde spoken die piepend door een openklappend zeil tevoorschijn kwamen. Achter het zeil zag je een groepje ziekenfondspatiënten buiten staan wachten voor de snoeptent, een hoge muur van tandglazuur brekende zoetigheden.
De zieligste vertoning was de Dikste Man van Nederland. Voor het doek stond de omroeper luidruchtig in een microfoon het variéténummer aan te prijzen. Niemand verstond hem, maar dat was ook niet de bedoeling. Door het doek stak het papperige hoofd van de Dikste Man en zette op commando van de omroeper zijn been op een verhoging om de omvang ervan te benadrukken, zodat alleen het hoofd en het been zichtbaar waren. Als je nog meer wilde zien moest je in de rij gaan staan voor een veel te krappe kassa, waarin zich een gezette vrouw met resten geblondeerd haar had verschanst. De blik van de Dikste Man gleed treurig over de openstaande monden van het hooggeëerd publiek. Ik besluit mijn sociale vaardigheden uit te proberen door mijn afgekoelde oliebol in het dichtstbijzijnde hoofd te proppen.