Slierten vakantieverveling drijven langs campers en caravans. Even verdwijnt het craquelé van de sfeer als dicht bij de ingang de plaatselijke jeugd voorbij knettert op hun vélomoteur.
Een Nederlander met een logge camper ontneemt ons alle uitzicht. Om de een of andere reden blijft de man ons de hele dag kwaad aankijken. De rug van zijn vrouw is al onderweg naar huis. Het zijn ingezondenbrievenschrijvers die altijd vaag ongerief ervaren. Onze hond, die nooit verlegen is om zijn mening te geven, blaft het stel ontstemd toe.
In het donker, op weg naar het sanitair, word ik verblind door zestien koplampen van een takelwagen. Met de behoedzaamheid van dragers die de lijkkist van een baar uit de lijkwagen schuiven, laadt het bergingsvoertuig een gebutst Kip caravannetje uit. De gedupeerden, drie vrouwen op leeftijd, vertellen tot diep in de nacht aan iedereen die het horen wil hun pechverhaal. Ze houden hun gele hesjes aan zolang er publiek is dat troostend applaus uitdeelt.
‘s-Ochtens zie ik ze naast hun gewonde Kip oploskoffie drinken. Ze hebben hun gele hesjes nog aan, voor het geval dat. Ze kijken me hoopvol aan als ik langsloop, want mij hebben ze nog niet gehad.