Na de Zeereis
Heelhuids ontkomen uit de buitengebieden, nog nagloeiend van kookpotten, kampvuren en wilde dans. De loopplank af, de kade op.
Mijn restaurantje is verdwenen, de bakker blijkt verbannen. De etalage van Groentehandel De Groot heeft nu tralies. Erboven hangt een zeemeermin. In de deuropening staat een kale man, met Ria op zijn arm.
Op de terrassen een geur van verse inkt. Slangen kruipen uit mouwloze shirts, bloemen slingeren zich om blote kuiten. Harry en Romero, lees ik, Shirley schuin geschreven, een enkel ankertje.
Ze komen me halen, de kale en zijn kornuiten. Straks ga ik ook getekend door het leven.